Start Omhoog Vťlo-Physique Bicycle Physics Fisica de la Bici
                                            Trapfrequentie
                

    

Waarom rijden we bergop met een lagere trapcadans?

Bij het bergop rijden kan een fietser kiezen voor een hoge trapcadans met relatief kleine kracht, of voor een lagere trapcadans met hogere kracht. Op vlakke wegen voelen de meeste renners zich comfortabel met een trapcadans tussen de 90 en 100 rpm. Het is sinds lang gekend dat op lange en steile hellingen de trapcadans van de meeste renners daalt tot ongeveer 70 rpm.  Dit lijkt wel onlogisch aangezien deze verhoogde kracht ook een hogere spierspanning veroorzaakt en dus een groter gevoel van lastigheid.

De verklaring voor de lagere trapcadans is tot op heden niet helemaal door de wetenschap uit de doeken gedaan maar uit de verschillende standpunten en benaderingen kunnen wel een aantal vaststaande feiten gefilterd worden. Bij het bergop rijden zullen zowel de type-I aŽrobe spiervezels, als de type-II anaŽrobe spiervezels hun duit in het zakje moeten doen. Het totale geleverde vermogen wordt dus gedeeltelijk door beide spiertypes geleverd

  1.  Het zuurstofverbruik komt echter alleen de type-I spieren te goede en het maximaal vermogen dat door deze spieren kan geleverd worden is proportioneel met het maximaal zuurstofverbruik VO2max. Bij constant vermogen  is het wetenschappelijk aangetoond dat het aŽrobe aandeel stijgt wanneer de trapcadans stijgt, m.a.w. een hoge trapcadans leidt tot een hoger zuurstofverbruik VO2 d.i. een hogere metabole belasting. Anderzijds veroorzaakt deze hogere trapcadans een goede bloeddoorstroming en minder spanning in de spieren.
  2. Bij lagere trapcadans vermindert het zuurstofverbruik maar wordt een deel van het vermogen geleverd door de anaŽrobe  type-II spieren. De metabole belasting daalt dus maar de spierspanning stijgt en er kan verminderde doorbloeding optreden.
  3. In het hooggebergte heerst een verminderde luchtdruk en meteen dus een verminderde zuurstof partiŽeldruk. Deze verminderde zuurstofdruk heeft een direct gevolg op de vermindering van de VO2max en van het maximaal aŽroob vermogen. Deze vermindering tast dus alleen de werking van de type-I spiervezels aan, terwijl het anaŽrobe vermogen (binnen de perken) enigszins kan verhoogd worden. De trapcadans verlaagt dus door de vermindering van de zuurstofaanvoer en wordt enigszins gecompenseerd door een verhogen van de anaŽrobe inspanning.

 

Hoe groot is deze invloed van de hoogte op het maximaal aŽroob vermogen? Een studie door Basset en medewerkers van 1999 geeft hier een antwoord. Nemen we een gemiddelde hoogte van 2000 m. Voor niet geacclimatiseerden is er op deze hoogte een gemiddeld aŽroob vermogenverlies van ongeveer 13% terwijl  geacclimatiseerden ongeveer 9% vermogenverlies lijden.  Dit zijn uiteraard gemiddelden en er bestaan grote individuele verschillen. Kijken we even naar de individuele tijdrit op de Alpe díHuez in de TDF 2001. Naar schatting ontwikkelde Armstrong een vermogen van 475 tot 500 Watt (een specifiek vermogen van ongeveer 6.4 W/kg!) gedurende 38 minuten en dit met een verzet 39x23 en een trapcadans van bijna 100 rpm. Deze trapcadans was dus nauwelijks lager dan zijn trapcadans in een vlakke tijdrit. Op dezelfde klim reed Ullrich met een verzet van 41 x 17 en een trapcadans van 70 rpm!

Wat was het geheim van Armstrong? Volgens Chris Carmichael, bekend trainer-coach en vriend van Armstrong,  waren Armstrongs spieren grotendeels  geatrofieerd na zijn kankerbehandeling en heeft hij uiterst intensief getraind op de hoge trapcadansen. Bij deze heropbouw van zijn spiermassa zou hij meer type-I spieren kunnen aanmaken hebben.  Armstrong had een VO2max van meer dan 80 ml/kg/min waardoor hij de zuurstofzuipende hoge trapcadans aankon.

 

 

Laatst bijgewerkt: 23 augustus 2010