Remmen is een bijzonder belangrijk onderdeel van het fietsen. Enerzijds is het soms noodzakelijk te remmen omwille van de veiligheid of het nemen van een bocht maar anderzijds willen we eigenlijk zo weinig mogelijk remmen aangezien dit alleen maar energieverlies oplevert. In situaties waar we sterk in de rem moeten stellen zich dan wel cruciale vragen, zoals hoe snel kan ik stoppen? Welke rem is meest effectief, de voorrem of de achterrem? Wat gebeurt er als ik ga slippen? Wanneer ga ik over de kop?...

De ervaring is hier een wijze raadgever. We weten dat we onherroepelijk over de kop gaan wanneer het voorwiel helemaal blokkeert en we weten ook dat de fiets zich dwars over de weg zet wanneer het achterwiel blokkeert. Leif Hoste heeft dit ongewild getoond toen de Vlaamse vlag in zijn achterwiel draaide in Parijs-Roubaix 2004.

Remmen is dus een subtiel spel van het laten slippen van de velg op de remblokjes. De remkracht is gelijk aan de kracht waarmee we de rem dichtknijpen vermenigvuldigd met de dynamische wrijvingcoëfficiënt tussen de velg en de remblokjes.

Statische en dynamische wrijvingscoëfficiënt

Wanneer twee materialen, b.v. band en wegdek of remblok en velg, tegen elkaar worden gedrukt met een normaalkracht Fn zullen ze ook zijwaartse  of afschuivingkrachten kunnen weerstaan. Zolang er geen slip of afschuiving gebeurt is de  maximale zijwaartse kracht (Fw) die door deze wrijving kan weerstaan worden  evenredig met de normaalkracht Fn.  De maximale zijwaartse kracht is gelijk aan de normaalkracht vermenigvuldigt met een constante, de genaamde statische wrijvingscoëfficiënt In een formule uitgedrukt is 
Voor een band met goede grip op kwaliteitsbeton of asfalt is de waarde van  tussen 0.8 en 1. Op een nat wegdek is ussen 0.5 en 0.7. Een MTB band op zand heeft  ongeveer 0.3 tot 0.6. Voor een band op ijs is slechts gelijk aan 0.1
Wanneer de zijwaartse kracht groter wordt dan
gaat de band slippen, en zodra er beweging (slip) is tussen de twee oppervlakken gaat ook de wrijvingscoëfficiënt verkleinen. De dynamische wrijvingscoëfficiënt is steeds kleiner dan de statische wrijvingscoëfficiënt. Dit betekent dus dat van zodra het slippen wordt ingezet er geen lieve moederen meer aan is en dat je onherroepelijk onderuit gaat.
Ik hoor je reeds zeggen dat dit niet waar is en dat je een slip kan corrigeren. De reden is dat de meeste slips geen "zuivere" slip zijn. Een klein kiezeltje of takje op de weg, een putje of een (onzichtbaar) laagje zand kan voldoende zijn om een slip in te zetten, die wel corrigeerbaar is zodra de band terug op een goed plaatsje terechtkomt. De beste manier om uit een slip te geraken is echter de remmen even lossen zodat we opnieuw even rollen zonder slippen zodat de wrijvingscoëfficiënt terug vergroot. Dit is het principe van de ABS.

Voor een fiets is de normaalkracht gewoon het totaal gewicht dat verdeeld wordt over het voorwiel en het  achterwiel. De normaalkracht op het voorwiel is ongeveer 40% van het totale gewicht, en  60% rust op het achterwiel. Het achterwiel zou dus een grotere remkracht kunnen uitoefenen en dit zou dus het belangrijkste wiel zijn bij het remmen. Niets is minder waar!

Het massamiddelpunt van de fietser ligt hoog boven de grond terwijl de remkracht uitgeoefend wordt op de grond. Daardoor ontstaat een krachtenkoppel dat het effectieve gewicht op het voorwiel vergroot, en het effectieve gewicht op het achterwiel verkleint. Het achterwiel zal dus tenslotte veel minder remkracht kunnen leveren.