De mens heeft eigenlijk een hybride motor: De spieren bevatten twee soorten spiervezels, die elk op een eigen manier brandstof verbruiken. Deze twee manieren om energie vrij te maken zijn enerzijds de Aërobe cyclus en anderzijds de Anaërobe cyclus.
De
spiervezels van het type 1 werken voornamelijk door oxidatie van vetten en
suikers en deze oxidatie gebeurt met zuurstof die aangevoerd wordt door de
longen en de bloedsomloop. Dit zijn de aërobe spiervezels, ook nog rode of trage
spiervezels genoemd. deze spieren kunnen blijven werken zolang er brandstof en zuurstof
beschikbaar zijn. Marathon en ultramarathon lopers hebben bijna uitsluitend type
1 spieren. De figuur hiernaast toont een aëroob schema.
Door in te ademen krijgen we zuurstof uit de lucht, die 21 %
zuurstof bevat, om deze brandstof om te zetten in energie. Veruit het grootste
deel van deze omzetting gebeurt in de vorm van warmte, die we nodig hebben om in
de eerste plaats in leven te blijven, maar bij het beoefen van sport is deze warmte overtollig en is een soort
"afvalproduct" samen met het uitgeademde koolzuurgas CO2 en
waterdamp. De longen nemen ook niet alle beschikbare zuurstof op zodat het
grootste deel (17 %) terug wordt uitgeademd. Gelukkig wordt ook een klein deel
van de energie omgezet in elektriciteit in de vorm van ontladingen, die de
spiervezels doen samentrekken. Deze samentrekking veroorzaakt de bewegingen b.v.
van bovenbeen, knie en onderbeen die nodig zijn om de pedalen te bewegen. Deze
beweging zal tenslotte de nuttige arbeid verrichten.
Het mechanisch rendement van een machine, en dus ook van de
mens, is de verhouding van de nuttig geleverde arbeid tot de totale hoeveelheid
verbruikte energie, dus rendement R = geleverde arbeid / verbruikte energie.
Hoe kan men het rendement meten?
Het mechanisch rendement wordt gemeten d.m.v. een inspanningstest waarbij
ook het zuurstofverbruik en de productie van CO2 gemeten wordt.
Meting van het totale zuurstofverbruik VO2 alleen is niet voldoende omdat iedere
molecule zuurstof kan verbruikt worden hetzij in vetverbranding, hetzij in
suikerverbranding. Uit de verhouding VCO2 tot VO2 kunnen
we de verhouding vet/suiker - verbranding berekenen. (Nota; strikt genomen moet
op VCO2 en VO2 een puntje staan om aan te duiden dat dit
volumes gas per minuut zijn).
(Klik)
Wat gebeurt er met de andere 75 % die vrijkomt als warmte? Dit is een groot probleem want die moeten we kwijt raken, zoniet zou ons lichaam zo erg opwarmen dat het op de kortste keren verdere dienst zou weigeren. Bij een matige inspanning van 200 Watt zouden we zonder efficiënt fysiologisch koelsysteem na 15 minuten reeds een lichaamstemperatuur van meer dan 38 °C hebben (Klik)
We kunnen deze warmte afvoeren door middel van 3 fysische mechanismen n.l. door straling, door convectie en door verdamping of zweten.De spiervezels van het type 2 gebruiken energie die in de spieren is
opgeslagen, zonder aanvoer van extra zuurstof. Dit zijn de anaërobe spiervezels,
ook witte of snelle vezels genoemd. Sprinters hebben meer type 2 spieren.
De analogie met de hybride automotor is dus duidelijk; Type 1 spieren zijn zoals de
benzinemotor, en type 2 spieren zijn zoals een elektrische motor werkende op een
batterij.
Deze anaërobe batterij is snel leeg. Een sprinter kan alles geven gedurende 5
tot 15 seconden, en dan is het over and out! Dit is de werkelijke reden waarom
sprinters zo moeilijk een echte col kunnen rijden. Dus niet omdat zij zwaarder
zijn, maar wel omdat zij de verkeerde spieren hebben. Omgekeerd kan een
"strijkijzer" nooit een sprinter worden.
![]() |
Hiernaast zien we de spiersamenstelling van verschillende
soorten sporters. De meest extreme duursporters zijn de marathon lopers, die tot
95% type 1 spieren hebben. Fietsers hebben typisch tussen 40% en 80% type1 spieren. De extreem gespecialiseerde sprinters hebben 40%, terwijl de tempobeulen dichter bij de 80% zitten. Hardlopers-sprinters hebben dan extreem weinig type1 en extreem veel type2 spieren.
|
Hoe gaat ons lichaam om met deze twee vormen van energieproductie? Voor inspanningen met een lage intensiteit is het aërobe systeem ruim voldoende, en kunnen we bijna zonder beperking blijven sporten. Zo kan men berekenen dat van uit energetisch standpunt een normale mens genoeg aërobe energievoorraad heeft om 5 marathons na elkaar te lopen! Het hoogste vermogen waarbij we de inspanning zeer lang (oneindig lang?) kunnen volhouden noemen we het Kritisch vermogen, aangeduid als PKV. Om meer vermogen te leveren dan PKV moeten we beroep doen op anaërobe energie. We gaan dan "in het rood" en zullen dus snel onze anaërobe batterij uitputten. Kunnen we op een of andere manier testen hoe groot onze PKV is? En hoeveel energie er in onze anaërobe batterij zit, m.a.w. hoe groot onze Anaërobe Werk Capaciteit - AEWC is?