Moderne trainingsschema's en technieken maken
vooral gebruik van hartslagmeting en het "trainen op hartslag" heeft zonder
twijfel tot excellente resultaten geleid. De laatste jaren zien we echter op
sommige professionele fietsen vermogenmeters verschijnen en is er
een nieuwe kleine revolutie aan de gang in de trainingstechniek,
vooral dan in de USA.
Hetgeen de renner nodig heeft om te winnen is het hoogst mogelijke
vermogen op het juiste moment in de koers en dus lijkt het normaal dat de
training gebeurt in functie van vermogen en van vermogenzones, in vervanging van
hartslag en hartslagzones. Is er dan iets mis met training op hartslag?
Helemaal niet, maar toch zijn er essentiėle verschillen tussen HR-training en
P-training. De hartslag bij een bepaald vermogen kan sterk beļnvloed worden door
veel factoren zoals de temperatuur, de mentale toestand van de fietser, goed of
slecht geslapen hebben, alcohol gebruik, vermoeidheid, beginnende ziekte etc...
De hartslag is ook een relatief langzaam variėrende parameter, terwijl het geleverd vermogen snel varieert waardoor er geen eenvoudig lineair verband bestaat tussen hartslag en vermogen, tenzij men een bepaald submaximaal constant vermogen lang genoeg aanhoudt om de hartslag tot een stabiele waarde te laten komen. In een wedstrijd of stevige training zal de hartslag dan ook weinig variėren terwijl het vermogen enorme variaties of sprongen maakt.
Om te trainen op vermogen hebben we uiteraard een vermogenmeter nodig, die ons van elke rit een verslag levert in de vorm van een computerbestand. Dit bestand kunnen we dan analyseren met behulp van aangepaste programma's, en een aantal nieuwe basisbegrippen en parameters dag na dag in kaart brengen. Verder technieken stellen ons dan in staat om de trainingsopbouw over langere periodes te plannen en te beoordelen.
Er zijn een aantal vermogenmeters op de markt voor prijzen die
lopen tussen 200 en 3500 . Het is hier niet mijn taak om publiciteit te voeren en
daarom zal ik slechts een 3-tal apparaten vernoemen, zonder waardeoordeel. Het
bekendste en duurste apparaat is waarschijnlijk de
SRM (Schoberer Rad Mess
Technik). De SRM werkt door krachtsensoren in het kettingblad. De
POWERTAP is
slechts half zo duur en werkt door krachtsensoren in de as van het achterwiel.
De iBike is een
buitenbeentje omdat deze niet de opgewekte krachten meet maar wel de
tegenwerkende krachten, of reactiekrachten Het eenvoudigste iBike model kost 200
, het professioneel model kost 500 .
Alle apparaatjes meten uiteraard het vermogen maar ook snelheid, trapcadans en
hartslag, soms ook windsnelheid, hellingsgraad, .temperatuur enz...
Ieder toestel wordt geleverd met behoorlijke programma's voor een dagdagelijkse
analyse en er bestaan ook onafhankelijke programma's die alle gegevensbestanden
van al deze toestellen kunnen lezen zoals bv. het programma
WKO+
De voorbeelden die hierna volgens zijn opgemaakt uit SRM- en iBike- bestanden met
behulp van het WKO+ programma.
Iedere training of wedstrijd zal ontleed worden in functie van de tijd die gespendeerd wordt in de verschillende trainingzones. Deze trainingzones worden bepaald d.m.v. het kritisch vermogen, Bovendien krijgt iedere training een waardering voor drie nieuwe belangrijke parameters, namelijk het normvermogen, de intensiteit en de trainingsbelasting.
De vermogen-trainingzones hebben als referentiepunt het
kritisch vermogen. Het kritisch vermogen (PKV) is het vermogen dat de fietser theoretisch oneindig lang
kan volhouden. Dit komt overeen met het maximaal aėroob vermogen, waarvoor
voornamelijk de type 1
spieren verantwoordelijk zijn. In de eerste plaats zal een renner dus
zijn kritisch vermogen moeten kennen, en dit regelmatig opnieuw aanpassen
naargelang zijn fitheid en prestaties verbeteren. Andrew Coggan, een van de
pioniers van de vermogenstraining, stelt een schema van trainingzones voor zoals
in volgende tabel.
| Benaming | Afkorting | % van PKV |
| Actief Herstel | H | < 55 |
| Duurtraining -1 | EX1 | 56 - 65 |
| Duurtraining -2 | EX2 | 66 - 75 |
| Intensieve training | I | 76 - 90 |
| Lactaat omslag | O | 91 - 105 |
| Maximale Zuurstofopname | VO2 | 106 - 120 |
| Anaėroob | AE | 121 - 150 |
| Neuromusculair | NM | > 150 |
Voor een goede wielertoerist met PKV = 260 Watt zijn de verschillende trainingzones in dus H(<137)W, , EX1(138-162) W, EX2(136-187)W, I(188-225)W, O(226-262)W, VO2(263-300)W, AE(301-375)W, NM(>375)W
Het gemiddeld vermogen van een training zegt eigenlijk niet veel over de kwaliteit van deze training. Onderstellen we een fietser die 30 min rijdt met vermogen 100 W, en daarna 30 min met vermogen 200 W. Hij heeft dus 60 minuten gereden met een gemiddeld vermogen van150 W. We zouden kunnen denken dat deze training hetzelfde effect heeft als een training waarbij hij één uur aan 150 W rijdt. Dit is helemaal niet zo! De reden is dat rijden aan 200 W van ons lichaam meer inspanning vraagt dan het dubbele van het rijden aan 100 W. Maar hoe brengen we deze "fysiologische stress" in rekening? Fysiologen aanvaarden dat de concentratie van lactaat in het bloed een goede maat is voor deze fysiologische stress. Het blijkt nu dat de bloedlactaat concentratie ongeveer evenredig is met de vierde macht van het geleverd vermogen. Een verdubbeling van het vermogen vraagt dus een 24 = 16-voudige verhoging van de fysieke inspanning. We bereken het normvermogen PN van een training door ieder tijdsinterval ti te vermenigvuldigen met de vierde macht van het bijhorend vermogen Ti4 , daarna de som te maken van al deze producten, dit resultaat te delen door de totaaltijd van de training en tenslotte de vierdemachtswortel te trekken van het resultaat. Dit lijkt nogal ingewikkeld maar het kan nu eenmaal niet anders, en gelukkig zal ieder zichzelf respecterend programma, zoals WKO+ deze berekening voor ons uitvoeren. Maken we even zelf deze berekening voor onze rit van 2 x 30 min aan 100 en 200 Watt;
![]()
We zien dat deze rit hetzelfde
normvermogen heeft als een rit van 1 uur
aan constant vermogen van 171 Watt.
Het normvermogen is altijd groter dan (of gelijk aan) het gewone gemiddeld
vermogen.
De intensiteit van een
training is eenvoudigweg de verhouding van het geleverd normvermogen tot het
kritisch vermogen, dus Intensiteit = I = PN/PKV
Aangezien PKV per definitie het maximaal vermogen is dan we lang
kunnen volhouden, kan de intensiteit voor een lange rit, bv. een lange tijdrit
of een serieus lange klim, niet groter zijn dan 1.
Voor een korte inspanning (sprint, proloog, achtervolging...) kan de
intensiteit wel groter zijn dan 1 omdat we dan gedeeltelijk anaėroob kunnen
rijden. Algemeen wordt aangenomen dat voor een tijdrit van 20 minuten de
intensiteit ongeveer 5 % hoger kan zijn dan 1. Dit kunnen we ten andere
gebruiken om te testen hoe groot ons kritisch vermogen is; 95% van het
normvermogen van een all-out tijdrit van 20 minuten is een zeer goede schatting
voor PKV
De globale waarde van een training wordt weergegeven door de
trainingsbelasting (in Engelstalige literatuur TSS = Training Stress Score).
Deze score is zo gedefinieerd dat het getal 100 wordt toegekend aan een training
waarbij men 1 uur zou rijden aan het kritisch vermogen. Een TSS = 100 komt zo
overeen met een tijdrit van 1 uur. We kunnen dezelfde score bereiken door
rustiger (op lagere intensiteit) te rijden gedurende meer tijd.De
trainigsbelasting - TSS wordt berekend als volgt;
TSS = 100 T I2
waarin T de totaaltijd in uren is en I de intensiteit van de
training.
Een training van 4 uur bij een intensiteit van 0.5 heeft dezelfde TSS als een
training van 1 uur aan intensiteit 1. Het positieve trainingseffect en de
vermoeidheid zal voor beide trainingen dezelfde zijn.