Het enorme voordeel van een vermogensmeter-computer is dat de interactie tussen trainer en fietser heel gestructureerd en gecontroleerd kan worden. Het trainingschema zal opgemaakt worden in functie van vermogenzones, trapcadans, pedaalkracht, en hartslag en iedere parameter wordt heel eenvoudig opgevolgd. Beelden zeggen veel meer dan woorden, daarom hier enkele voorbeelden.
Bezien we eerst een voorbeeld van een dagbestand (Vermogenmeter iBike)

De verschillende deelgrafieken zijn nogal evident; In groen
het geleverd vermogen, Zwart de snelheid van de fietser, Blauw de snelheid van
de wind t.o.v. de grond, in bruin het hoogteprofiel en in rood de hellingsgraad.
We zien dat het gemeten vermogen heel sterk varieert. dit is
helemaal normaal aangezien het vermogen nul wordt zodra we de benen stil houden,
en enkele seconden later opnieuw heel hoog kan zijn.
Een analyse van deze
heuvelachtige rit levert oa. volgende gegevens;
Afstand: 93.2 km

Tijd: 4:02:30
Geleverde energie: 1989.0 kJ
Verbruikte energie: 1901.5 kcal
Hoogtemeters: 1430 m
Energie verloren gegaan door remmen: 78.6 kJ (4.0%)
Gemiddeld vermogen 136.7 W
Normvermogen PN = 147 W
Kritisch vermogen voor deze persoon PKV = 170 W
Intensiteit = 0.865
Trainingbelasting TSS = 301
De figuur toont de verdeling over de verschillende vermogenzones voor deze rit, die behoorlijk heuvelachtig was. Aan de hand van deze grafiek kan de trainer perfect beoordelen hoe goed de renner de traininginstructies heeft opgevolgd en hoe goed de training beantwoordt aan het gestelde doel. Indien de bedoeling een hersteltraining was na een zware rit, dan mogen alleen de blokken H en EX1 aangevuld worden. In de bovenstaande grafiek zien we ongeveer 21% van de rit in zone H(erstel). Dit komt eigenlijk overeen met de rustige periodes vooral bergaf. Meer dan 60% zit in de zones I, O, VO2, AE en zelfs NM. Deze rit was dus behoorlijk zwaar. Indien we de 21% in H buiten beschouwing laten duidt de intensiteit van 0.865 erop dat deze fietser ongeveer zijn maximale prestatie heeft geleverd.
Bekijken we nu een deel van training op piste (Wielercentrum Eddy Merckx - Blaarmeersen, Gent)
In het verloop van vermogen, helling (slope) en windsnelheid zien we grote periodieke schommelingen. Deze zijn eenvoudig te wijten aan de bochten. Bij het ingaan van iedere bocht is er een positieve helling en aangezien we een constante snelheid trachten aan te houden schiet het vermogen dan omhoog. Bij het uitkomen van de bocht gebeurt het omgekeerde, de helling wordt negatief en het vermogen verkleint. Op die manier bevat iedere ronde twee maxima en twee minima. In de eerste 5 tot 6 ronden is de windsnelheid voornamelijk positief (zie blauwe grafiek) hetgeen betekent dat deze fietser alleen fietst zonder gangmaking. De gemiddelde snelheid is dan ongeveer 37 km/h. De volgende 4 ronden zien we grotere schommelingen in het vermogen, en een verhoging van de snelheid tot 40-43 kh/h, met voornamelijk negatieve waarden voor de windsnelheid. Dit betekent dat de fietser heeft aangesloten bij een groepje, hetgeen meebrengt dat hij door het bekende accordeon effect bij het ingaan van de bochten één tot twee meter verliest, die bij het uitkomen van de bochten opnieuw wint en tenslotte in het vlakke deel even moet afremmen. Meer ondervinding en een betere bochtentechniek zou deze schommelingen voor een deel wegnemen. In de derde deel, ongeveer van af het midden van de grafiek zien we dat het gemiddeld vermogen daalt en dat de windsnelheid steeds negatief blijft. Het is dus duidelijk dat de fietser in het spoor van de groep blijft maar dat de koprijders minder gas geven.

De ganse rit waarvan hierboven slechts een deeltje te zien is duurde exact 1 uur. Hieronder zien we het histogram van het geleverd vermogen.

Vragen we ons nu af wat de trainingswaarde van deze rit is
m.a.w. wat is het normvermogen? wat is de intensiteit? wat is de
trainingsbelasting TSS? In welke zones werd getraind?
Nu zal het duidelijk hoe belangrijk het begrip Kritisch Vermogen PKV
wel is.
Veronderstellen we dat deze training door twee vrienden werd gedaan op exact
dezelfde manier, de eerste fietser met PKV gelijk aan 170 W, de
tweede fietser, jonger en beter getraind, met PKV = 260 W. Het
programma WKO+ berekent voor de ganse rit een normvermogen van PN =
177 W.
Aan de hand van dit normvermogen en het resp. kritisch vermogen vinden we de
Intensiteit en TSS
| Voor PKV = 170 W | Voor PKV = 260 W | |
| Normvermogen PN | 177 | 177 |
| Intensiteit | 1.041 | 0.681 |
| Trainingsbelasting TSS | 108.5 | 46.4 |
Voor de ene is dit dus een zware, zelfs maximale training, voor de ander is het een rustige rit. Nog interessanter wordt het indien we het geleverd vermogen gaan bekijken in functie van de trainingszones. Onderaan links de betere fietser met PKV=260W, rechts de fietser met PKV=170 W.


Links werd bijna uitsluitend gereden in de herstel- en de
extensieve duurtrainingzones, terwijl rechts vooral in de hogere zones rond het
omslagpunt, de VO2max , anaëroob en zelfs in de neuromusculaire zones werd
gereden. Deze gezamenlijke training heeft voor beide fietsers dus een totaal
verschillende trainingswaarde.
Het is dus niet altijd verstandig om fietsers van een sterk verschillend niveau, mogelijkheden en fitheid samen te laten trainen.