![]() |
Briek Schotte wist het goed te zeggen; Je moet rijden als je moet rijden en je moet niet rijden als je niet moet rijden. Dit gevleugeld zinnetje lijkt simpel maar het maakt juist het verschil tussen een slimme en een domme coureur, tussen de winnaar en de net-niet-winnaar. Vooral in een tijdrit, waar de renner alleen tegen zichzelf
rijdt is deze vraag cruciaal; hoe deel je je tijdrit in? Wanneer ga je voluit en
wanneer hou je in ? |
We kunnen 4 fundamentele strategieën vooropstellen;
1. Zo hard mogelijk vertrekken, en zo lang mogelijk zo
hard mogelijk rijden. Dit is de strategie van "Ik ga zo hard mogelijk en
zie wel waar ik uit kom!" Dit is de minst verstandige strategie want zij
leidt meestal tot stilvallen in het laatste kilometers.
2. Strategie van de regelmaat. Hier tracht je de
hele rit zo constant mogelijk te rijden. Rij je echter op een constant ritme of
constante hartslag of constant vermogen enz...? Een constant vermogen lijkt
aangewezen maar dan stelt zich de vraag welk vermogen moet gekozen worden. Kies
een te laag vermogen en je verliest, kies een te hoog vermogen en je valt stil
en verlies ook. De keuze van het juiste vermogen in functie van de renner, het
profiel, het circuit wordt bij grote ploegen vandaag meer en meer bepaald door
wetenschappers en fysiologen ( zie o.a. de filmpjes van Allen Lim op
www.saris.com/athletes )
3. Wisselend vermogen met negatieve correctie. Bij
deze strategie wordt een referentievermogen gekozen. Met dit vermogen rij je op
de neutrale stukken, vlak en zonder wind. Op goedlopende stukken, bergaf
en/of meewind tracht je zoveel mogelijk tijd te winnen door op een hoger
vermogen te rijden. Op moeilijkere stukken, bergop en/of tegenwind, spaar je
jezelf een beetje door met een ietsje lager vermogen te rijden. Dit is samen met
strategie (1) de slechtst mogelijke strategie.
4. Wisselend vermogen met positieve correctie.
Opnieuw wordt een referentievermogen gekozen. Op moeilijke stukken wordt nu
extra vermogen geleverd en ga je anaëroob (in het rood) rijden, terwijl op de
goedlopende stukken ingehouden wordt en je dus trager gaat rijden. Uiteraard
vergt dit inhouden of trager rijden een grote discipline en overtuiging, maar je
hebt dit echt nodig om op de volgende helling opnieuw voluit te gaat. De
tijdrit
wordt niet gewonnen op de plaatsen waar iedereen razendsnel rijdt, maar wel op
de moeilijke passages. Theoretische modellen tonen aan dat dit de beste winnende
strategie is, maar de renner moet deze strategie wel degelijk aanleren, en veel
trainen met behulp van een vermogensmeter, b.v. een SRM of Powertap.
Er zit natuurlijk wel een addertje onder het gras. Wanneer meer vermogen wordt
ontwikkeld gaat de renner "in het rood", of in de anaërobe zone. Daarom moet het
totale anaëroob verbruik onder controle gehouden worden, en daarom zijn ook de
recuperatietijden nodig. Het is dus de bedoeling dat de renner al zijn
anaërobe werk capaciteit heeft opgebrand net op de aankomstlijn
De twee interessante strategieën zijn dus deze met constant vermogen, en deze met variabel vermogen met positieve correctie.
Deze strategieën kunnen d.m.v.
een aangepast computerprogramma gesimuleerd en uitgetest worden. Hieronder
staat een interactieve berekeningstabel
waarin een tijdrit over 10 km wordt gesimuleerd voor de
twee interessantste strategieën,
De opstartwaarden (roze velden in het gele
deel) zijn voor een renner van 65 kg met fiets van 7.5 kg en met een frontaal
oppervlak 0.35 m2. Deze renner heeft een kritische vermogen van 300 W
en een AEWC van 20 kJ.. De rolweerstandcoëfficiënt is 0.005, de barometerstand
is 1000 HPa en de temperatuur 20°.
In de blauwe velden zien we het resultaat van de simulaties. Onder deze
omstandigheden kan onze renner een gemiddeld constant vermogen van 321 W
ontwikkelen en rijdt dus voortdurend 21 W in het rood. Zijn totaaltijd is 17 min
0 sec . De totale hoeveelheid geleverde energie is 327 kJ , waarvan
20 kJ uit de anaërobe reserve is geput.
Wanneer deze zelfde renner de variabele strategie toepast waarin hij aan zijn
kritisch vermogen van 300 W rijdt op de vlakke stukken, en in de
afdalingen, terwijl hij 337 W gaat doorduwen op de hellingen zal zijn
totaaltijd slechts 16 min 50 sec zijn. Deze strategische zet heeft hem een
tijdwinst van 10 seconden geleverd. Niettegenstaande hij 10 sec sneller
heeft gereden, heeft hij in totaal slechts 323 kJ arbeid geleverd, d.i. 4 kJ
minder dan in zijn rit met constant vermogen.
Besluit; mits de juiste strategie
ga je sneller met minder inspanning.
| Gegevens van de renner | |||
| Kritisch Vermogen | Anaërobe werk capaciteit | Massa | Effectief frontaal oppervlak |
| PKV W | AEWC kJ | Renner kg | Seff m2 |
| Andere gegevens | |||
| Barometerstand | Temperatuur | Massa van de fiets | Rolweerstand |
| HPa | °C | kg | Cr |
|
|
Simuleren we een tijdrit over het
parcours hiernaast
|
||
| Strategie 1; Constant Vermogen | |||
| Tijd | Constant vermogen | Geleverde
Energie Totaal Anaëroob |
Gemiddelde Snelheid |
| h m s | W | kJ kJ | km/h |
| Strategie 2; Variabel vermogen met positieve correctie | |||
| Tijd | Min - Vermogen - Max | Geleverde Energie Totaal Anaëroob |
Gemiddelde, Snelheid |
| h m s | W W | kJ kJ | km/h |
Je kan in deze berekeningstabel spelen met alle roze invulvakken en op die manier de invloed ontdekken van alle acht parameters op de eindtijd van deze tijdrit. Zo vinden we bijvoorbeeld ;
Verhogen van de rolweerstand van 0.005 naar 0.006 levert een
verlies van 10 seconden
Verbeteren van de aërodynamica en verminderen van Seff van 0.35 m2
naar 0.30 m2 levert een winst van
39 seconden
Rijden bij lage temperatuur van 10° i.p.v. 20° geeft een
verlies van 10 seconden
Verhogen van het gewicht van de fiets van 7.5 kg naar 8.5 kg,
verlies van 4 seconden
Verhogen van het kritisch vermogen van 300 W naar 350 W,
winst van 71 seconden
Verhogen van anaërobe energie van 20 kJ naar 40 kJ,
winst van 34 seconden.
enz....
Uit dit alles is duidelijk dat men wel seconden kan winnen door de juiste strategie te gebruiken, maar dat het nog veel belangrijker is door gepaste training zijn kritisch vermogen en anaërobe capaciteit aan te zwengelen en zijn aërodynamische houding te optimaliseren. Slechts wanneer deze 3 parameters optimaal zijn loont het de moeite aandacht te schenken aan gewicht van de fiets, rolweerstand en strategie...
In een windtunnel gaan rijden om de positie te vinden met het
absoluut minimaal frontaal oppervlak kan eventueel ook verkeerd uitvallen. Neem
b.v. een fietser met Seff = 0.30 m2 en PKV =
300 Watt. Indien hij door de windtunnel een nieuwe positie kiest waarbij Seff
= 0.29 m2 is, wint hij op ons parcours ongeveer 9 seconden.
Maar deze uiterst aërodynamische positie is voor veel renners niet comfortabel
waardoor ze eventueel minder kritisch vermogen kunnen draaien. Indien hij 5 W
kritisch vermogen verliest is zijn aërodynamisch voordeel helemaal
verdwenen. De ideale positie voor een tijdrit is dus niet deze met het kleinste
frontaal oppervlak maar deze met het beste compromis tussen frontaal oppervlak
en kritisch vermogen.