|
| |
De algemene opinie is dat een
klimmer een klein mager mannetje moet zijn en we horen wel eens dat die of
die zo goed klimt omdat hij zo licht is. Maar licht zijn op zich is helemaal
geen garantie. De allesbepalende factor is het specifiek vermogen dat de
renner kan ontwikkelen.
Er is slechts één manier om alle mogelijke misverstanden over klimmers te
vermijden, n.l. door de statistische gegevens over lengte, gewicht en BMI
van de "gemiddelde " ronderenner te vergelijken met de "typische" klimmer.
Idealiter zouden we ook en vooral het kritisch vermogen, of het maximaal
aëroob vermogen, of de VO2-max van de renners moeten kennen maar deze gegevens
worden helemaal niet vrijgegeven. Om de gemiddelde ronderenner te kennen heb ik de gegevens van alle renners
die in 2008-2009 hetzij de Giro d'Italia, hetzij de Tour hebben uitgereden
opgezocht. (Een totaal van 294 renners). Om de eigenschappen van de klimmers
uit te vissen heb ik de top-10 renners genomen van een aantal aankomsten
boven op een col. (Plateau de Beille 2007, Grand Bornand 2007, Super besse
2008, Alpe d"Huez 2008, Hautacam 2008, Pla de Beret 2006, Courchevel 2005,
Axe 3Domaines 2005, La Mongie 2004, Mont Ventoux-Dauphine Libéré 2009,
Angliru 1999,2000,2002,2008, Zoncolan 2007,2010 en Montalcino 2010.)
Samen waren dit 170 renners, waarvan een aantal natuurlijk verscheidene
keren voorkomen en op die manier natuurlijk meer gewicht in de schaal
leggen.
De gemiddelde lengte van
de algemene ronderenner is (1.79 ± 0.06) m. Het
tweede getal tussen de haakjes 0.06 hier is de standaard afwijking. Dit
wil zeggen dat 68% van alle renners tussen de 1.73 m en de 1.85 m groot
zijn. Voor de klimmers vinden we een gemiddelde lengte van (1.77
± 0.05) m. Klimmers zijn dus gemiddeld ongeveer 2 cm
kleiner, maar dit verschil is echt niet significant.
De gemiddelde massa van de ronderenner is
(67.7 ± 6) kg terwijl de gemiddelde klimmer inderdaad een 2-tal kg lichter
is namelijk (65.0 ± 4.5) kg. Eigenlijk dus ook geen verschil om naar huis te
schrijven.
 |
Het grote verschil tussen de twee types
renners komt echter pas goed tot uiting in hun Body Mass Index BMI of Quetelet-index.
Ter herinnering, de BMI is gelijk aan de verhouding van de massa (in kg) tot
het kwadraat van de lengte (in meter). Voor gewone mensen is de BMI een
aanduiding van de hoeveelheid overtollig vet, maar voor de topsporter
betekent de BMI iets geheel anders. Alle afgetrainde wielrenners hebben een
bijzonder laag vetgehalte en toch varieert hun BMI tussen 18 en 24 !
Analyseren we even de statistische verdeling van de BMI voor de algemene
ronderenner (links-boven) en de top-tien klimmers (links-onder).
De gemiddelde BMI van de ronderenner is (21.0
± 1.2), en deze verdeling volgt ongeveer een normale of Gauss verloop met
een lichte afwijking naar de hogere BMI-waarden.
De BMI-verdeling van de top-10 klimmers ziet er echter heel eigenaardig uit.
Deze verdeling is driehoekkig. De extreem magere renners of
anorexiepatientjes rijden echt niet zo dikwijls top-10. De meest voorkomende
of ideale BMI bij klimmers is 21 tot 21.75 en voor hogere waarden zien
we een scherpe terugval. Bijna alle klimmers hebben dus een BMI kleiner dan
21.75
Zeer eigenaardig is dat de gemiddelde BMI van de
ronderenner lager is dan de ideale BMI van de klimmer. Dit bevestigt
dat er in het peloton heel wat renners rijden met een lage BMI (dus heel
magere ventjes) die toch niet kunnen klimmen! Klein en licht zijn is dus
helemaal geen garantie.
We zien ook een aantal speciale gevallen met hoge BMI waarden. Bij nader
inzien zijn dit meestal renners met grotere motoren; Juan José Cobo, Indurain, Armstrong, Ullrich,
Cunego, Olano, Escartin, Tonkov, Rebellin, Pelizotti.
Zonder twijfel horen ook Bernard Hinault en mogelijks Eddy Merckxs in dit
rijtje thuis maar correcte gegevens zijn over die renners moeilijk te
vinden. |
 |
Wat betekent de BMI dan voor toprenners? Het gewicht van
de renner bestaat uit veel elementen waaronder o.a.
Totaal Gewicht = Skelet + Organen + Bloed + Vet +
Skeletspieren + Andere spieren + ...
Om het gewicht en de BMI naar beneden te krijgen zullen de
meeste mensen in de eerste plaats vet moeten kwijt raken.
De "andere spieren" in dit rijtje zijn vooral hart, maag en andere spieren waar
we geen controle over hebben;
Voor afgetrainde topsporters zal de BMI dus tenslotte een aanduiding zijn voor
de hoeveelheid en samenstelling van de skeletspieren. Typische klimmers hebben
eigenlijk bijna uitsluitend aërobe type I skeletspieren nodig. Zij hebben
relatief weinig type II anaërobe spieren, hebben een verlaagde BMI en sprinten
als een strijkijzer. Sprinters hebben extra type II skeletspieren en hebben
bijgevolg een hogere BMI.
Inderdaad blijken sprinters (Cavendish, Boonen, Ciolek, Steegmans, Freire,
Hushovd, Cipollini, McEwen etc...) een gemiddelde massa te hebben van 74.8 kg hetgeen 7.1 kg
meer is dan de gemiddelde ronderenner! De gemiddelde sprinter heeft een BMI van
22.6
Algemeen kunnen we dus besluiten dat klimmen wel degelijk een
genetisch bepaald talent is: Een goede aërobe motor en de juiste type I
skeletspieren leiden tot een verlaagde BMI en hoog specifiek klimvermogen. Het
eigenlijke gewicht speelt dus geen bepalende rol.
|